
Vruchten zijn er om gegeten te worden. Het produceren van voor dieren smakelijk vruchtvlees, barstensvol zaad, is voor
de plant hèt middel om zich te vermeerderen. Op die manier is gerijpt fruit de schakel tussen flora en fauna: enerzijds
voedsel voor het dier en tegelijk een vervoerder van het erfelijk materiaal - het zaad - voor de plant. In deze, na een lange evolutie tot stand gekomen samenwerking, lijkt iedere vrucht afgestemd op een eigen transportmiddel. Voor laag bij de grond verkerende dieren, zoals slangen, hangen de vruchten vlak boven de grond en voor vogels hangen ze hoog in de boom en vallen ze op door hun kleur. In ruil voor
het verspreiden van het zaad, dat overigens gebouwd is om de gang door het dierlijke spijsverteringskanaal te overleven, krijgt het dier het zoete en sappige vruchtvlees als beloning.
De aardbei is zo'n vrucht. Ontwikkeld uit de bloembodem van de bloem, bestaat de aardbei uit vruchtvleescellen en een beschermende huid. De zaadjes (eigenlijk piepkleine steenvruchtjes) zijn in het hart van het witte aardbeibloemetje goed te zien. Na de bevruchting worden de vruchtvleescellen aangemaakt. Via de wortels worden deze cellen tijdens de groei met water en mineralen uit de bodem gevuld. Vanuit het blad worden suikers aangevoerd en
ontstaat in combinatie met het reeds aanwezige water en de mineralen het voor aardbeien kenmerkende sap. Na verloop van enkele weken begint de rijping. Het chlorofyl, de groene
bladkleurstof die onder andere de aardbei haar onrijpe kleur
geeft, wordt afgebroken. Door het afbraakproces wordt een rood pigment gevormd, dat de vrucht haar vuurrode kleur
geeft. Een signaalkleur, die door menig dier wordt opgemerkt. Tegelijkertijd wordt het in de vrucht opgeslagen zetmeel omgezet in nog meer suiker, wat de aardbei uiteindelijk zoet maakt; daarnaast begint de vrucht een typische aardbeilucht uit te wasemen. Kortom: het zomerkoninkje is klaar voor consumptie, het zaad kan verspreid!
De wilde aardbei (Fragaria vesca) is een inheemse plant die op dijkhellingen, in duinpannen en in bossen groeit. De plant heeft een voorkeur voor kalkhoudende grond. De Franse ingenieur Frézier, die uitgezonden werd naar Zuid-Amerika, nam op zijn terugtocht de eveneens wilde, maar veel grotere Chileense aardbei mee. Gekruist met een Noordamerikaanse variant vormde deze de basis voor de huidige gekweekte aardbeirassen. De naam Frézier leeft nog voort in fraise, het Franse woord voor aardbei.
Aardbeien bevatten veel vitame C: 60 mg op 100 gram vruchtvlees. Daarnaast zit er nog wat vitamine A in en mineralen. De voedingswaarde per 100 gram vruchtvlees is 96 kJ (23 kCal.) Bij het koken van de aardbei, zoals dat bijvoorbeeld bij het vroeger zo populaire 'wecken' plaatsvindt, gaat veel vitamine C verloren. Versgeplukt en even onder de koude kraan afgespoeld, zijn ze het lekkerst en het gezondst!
Bram Wolthoorn, redacteur De Tuingids