Orde Odonata
Inleiding In de vorige uitgave over de libellen, hebben we een algemeen overzicht gegeven
(Libellen en juffers).
Met deze reeks gaan we een stap verder. We starten een reeks waar elke libel apart besproken wordt, die in Europa te vinden zijn.
Kenmerken De volwassen dieren zijn jagers, met krachtige, getande kaken (vandaar hun van het Griekse woord voor 'getand' afgeleide naam). Middelmatig tot grote insecten met vaak een opvallende en/of bonte tekening.
De grote kop met holle achterrand is zeer beweeglijk. De samengestelde ogen, soms uit meer dan 30.000 lensjes samengesteld, zijn of duidelijk gescheiden (alle Zygoptera en sommige Anisoptera), raken elkaar, of lopen in elkaar over. In het laatste geval ontstaat een bijna 360° zicht, iets wat hun zeer van nut is bij de jacht. De 3 ocelli zijn altijd aanwezig, de antennen zijn kort en weinig ontwikkeld.
Van de 3 borstsegmenten is de prothorax klein en zijn de grote meso- en metathorax gefuseerd tot een pterothorax. Libellen lopen zelden, de poten worden alleen gebruikt tijdens het uitrusten en om de prooi vast te houden. De vleugels bezitten 5 hoofdnerven in de lengterichting en door vaak veelvuldige dwarsadering ontstaat er een netvormig patroon. In de meeste families is iedere vleugelvoorrand nabij de tip voorzien van een duidelijke vleugelvlek. In de Zygoptera zijn voor- en achtervleugels bijna identiek, met eenvormige adering. In Anisoptera zijn de achtervleugels breder dan de voorvleugels. De vleugels kunnen in rust niet over elkaar heen worden gevouwen en bijna alle Anisoptera rusten met de vleugels zijwaarts en enigszins afhangend uitgestrekt, de meeste Zygoptera draaien de vleugels met de onderzijde naar buiten tegen elkaar zodat zij een dak vormen boven het achterlijf. De vleugelspanwijdte varieert van 18 tot 190 mm.
Het achterlijf is lang, zelden korter dan de lengte van een vleugel, met 10 zichtbare segmenten en eindigend in een grijporgaan in beide seksen. In Zygoptera is het abdomen slank en cilindrisch, in Anisoptera meestal breed en afgeplat. Alle zygoptere en een aantal anisoptere vrouwtjes bezitten een ovipositor onder segmenten 9-10 van het abdomen, de mannetjes hebben een (secundaire) genitale pore aan de onderzijde van abdominale segmenten 2-3.
Ook de nimfen zijn jagers gekarakteriseerd door de tot een uitklapbaar vangmasker uitgegroeide onderlip die in rust onder de kop en borst gevouwen is.
Voorkomen Door hun ontwikkelingswijze zijn libellen aan water gebonden ook al kunnen adulten op jacht naar prooi ver afdwalen. Wereldwijd, maar voornamelijk in de tropen, komen ca. 6500 soorten voor waarvan slechts ca. een half dozijn met op het land levende nimfen. De voornamelijk fossiel bekende onderorde Anisozygoptera heeft nog twee recente soorten, één in Japan en één in het Himalaya-gebergte. In Nederland en België komen ca. 60 soorten Odonata voor.
Habitat
Libellen bewonen vrijwel alle permanente zoete tot brakke oppervlaktewateren en semi-permanente watertjes, maar door verlies van habitat (kanalisatie, vervuiling) is bijvoorbeeld bijna een derde van het oorspronkelijk aantal in Nederland voorkomende soorten verdwenen.
Deze voor de mens ongevaarlijke insecten leveren in zowel juveniele als adulte stadia een belangrijke bijdrage aan het in toom houden van tal van plaaginsecten.